1073. Iemand van kant maken (of helpen)
d.w.z. iemand uit den weg ruimen, dooden; in Vlaanderen ook iets van kant maken, iets vernielen (Schuermans, 220 a). In de middeleeuwen en in de 17de eeuw zeide men: eenen van cant(e) spelen; bij Servilius, 151 staat opgeteekend: laet hem van cant helpen ter vertaling van ad Cynosarge; zie ook Marnix, Byenc. 207 r en Lat. Versch. 269. Van kant(e) beteekende eig. van den kant af, weg (vgl. op zij zetten; hd. bei Seite schaffen) en werd in de 17de en 18de eeuw veelal in verbinding met de werkwoorden sturen, zenden, wijzen gebruikt, zooals in Vondel's Jeptha, 1875: Men stierde mij van kant door looze treken. Ook kende men van kant leggen (Huygens, Zeestraet, 846); zich van kant maken in den zin van zich verwijderen, wegloopen (Poirters, Mask. 209; vgl. Schuerm. 220 a); van kant helpen (Vondels Maeghden, inhoud; Hooft, Ned. Hist. 500; Sewel, 377); van kant zijn, weg zijn, afwezig zijn; zie Ndl. Wdb. VII, 1333 vlg. In West-Vlaanderen en Kl. Brab. gebruikt men thans nog van kant(e) zetten, werken of doen, in den zin van aan een kant zetten, wegzetten, verkwisten, verteren (zie Teirl. II, 107; Antw. Idiot. 616), aan kant zetten of doen, zooals wij zeggen, waarvoor men in het Land v. Waas zegt: aan den eenen kant zetten; bij Rutten, 348: zich vankant houden, zich niet laten zien; zich vankant maken, het hazenpad kiezen; iets vankant zetten, opdrinken, verteren. Dit aan kant wordt thans nog in het Noorden van ons land en in Zeeland gebruikt in den zin van in orde, gereed, opgeredderd, veelal van kamers gezegd (Molema, 497; Fri. Wdb. II, 38 a en Sewel, 377), terwijl men in Groningen onder an kant moaken verstaat te bed brengen (van kinderen gezegd; ook in het Friesch oan 'e kant), en onder zök an kant moaken, te bed gaan (Ganderheyden, Groningana, 3), hetzelfde als an zied goan (Molema, 485; 498) en het fri. oan 'e ich (kant) gean.