124. Averij beloopen

Onder averij, fr. avarie, port. it. avaria, dat afgeleid is van het arab. 'awâr, gebrek, verstaat men in eigenlijken zin: de schade, die aan een schip en de daarin geladen goederen wordt toegebracht; vervolgens wordt het ook toegepast op de schade aan andere eigendommen dan schip en goederen, bijv. aan een huis; vandaar de uitdr. er is averij, of iemand heeft averij, wanneer iets van het zijne beschadigd is. In Zuid-Nederland komt averie hebben voor in den zin van behept zijn met een besmettelijke venerische ziekte (Antw. Idiot. 1550). Het woord dateert bij ons uit de 16de eeuw en wordt ook in den vorm haverij (fri. haverij) aangetroffen (bij Halma); zie verder het Ndl. Wdb. II, 756; VI, 153; Dozy, Oosterlingen, 22 en vgl. in eig. zin hd. Haferei(er)leiden; eng. to suffer average.