1244. Op den kop tikken

d.w.z. stil wegpakken; bij geluk of toeval koopen, waarschijnlijk ontleend aan de jacht (bijv. konijnen), waarbij men door een slag op den kop het dier doodt. Vgl. Harrebomée I, 437: Hij heeft het op den kop getikt, hij heeft het ontvreemd; Handelsblad, 5 Juli 1918 (A), p. 10 k. 3: Daar zijn moeder gewoon was huiszoeking in zijn kleeren te houden als hij in zijn bed lag om te zien of hij ook weer iets op den kop getikt had (gestolen had); Haagsche Post, 2 Februari 1918, p. 127 k. 3: Belegen tabak, waarvan ik een laatste partijtje tegen fabelachtigen prijs op den kop tikte; Nkr. IX, 3 Juli 1915: Dat goedkoope pakkie dat-ie 's heel voordeelig op een uitverkoop op z'n kop had getikt; Nw. School, II, 310: Wanneer hij geleerd heeft precies het verkeerde woord, de verwarde beeldspraak, de fout in één woord op den kop te tikken (te pakken, aan te wijzen); De Vries, 80: Iemand op den kop tikken, iemand aantreffen; N. Taalgids XVI, 176.