1252. Iemand (of iets) te kort doen

d.w.z. op iemands rechten inbreuk maken, ze verkorten; mnd. to kort dôn; hd. einem zu kurz tun, eig. iemand te kort, te weinig geven (bijv. bij eene verdeeling), in welken zin het wkw. doen in de middeleeuwen vrij gewoon is (Mnl. Wdb. II, 247) en thans dial. nog voorkomt (Ndl. Wdb. III, 2722; Bergsma, 91; Molema, 86; Gallée, 9). In het middelnederlandsch reeds bekend: enen te cort doen; zie het Mnl. Wdb. III, 1945 en verder Van Lummel, 133; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 413; Brederoo, St. Ridder, vs. 1211; enz. Zich zelven te kort doen, zich het noodige onthouden, ook zich dooden; vgl. Halma, 284 die het vertaalt door se tuer; De Bo, 560; Rutten, 121; Antw. Idiot. 699 (zijn eigen te kort doen); Molema, 417 b; Villiers, 67. In geheel Zuid-Nederland heeft te kort doen de beide beteekenissen; fri. yen sels te koart dwaen.