1285. Iemand eene kroon opzetten

d.w.z. iemand eer bewijzen; mnl. enen crone spannen, eig. iemand een krans op het hoofd zetten; zie no. 1284. Vgl. hiermede het 17de-eeuwsche iemand een leelijken hoed (= krans) opzetten, d.i. schande aandoen; Halma, 292: iemand eene kroon opzetten, iemand prijzen, verheffen; Tuinman II, 65: Gij zet my een schoone (ironisch) kroon op 't hoofd, gij doet mij schande, oneer aan; fri. immen in kroan opsette (of op 'e kop sette), schande aandoen. Vgl. bekronen, beloonen.