1287. Iemand naar de kroon steken
d.w.z. trachten hem de kroon, het teeken van overwinning en meerderheid (zie no 1284), te ontnemen; met hem wedijveren. Vgl. Hooft, Brieven, 472; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 420; Salomon, vs. 420; Halma, 292; Sewel, 421: Iemand na de kroon steeken, to vie with one, en Kiliaen, die steken nae weergeeft door: ambire, captare, adspirare, eene beteekenis, die ontleend is aan het tournooi. Vgl. Mnl. Wdb. VII, 2057: Uit de bet. ‘steken naar eene krans’, d.i. ‘in een steekspel eene krans trachten af te steken’, heeft zich bij steken de beteekenis ontwikkeld van verlangen of streven naar. Vgl. Villiers, 69; hd. er sticht gewaltig auf einen Professor, d.i. er möchte gern Professor werden (Paul, Wtb. 512).