1360. Het moet uit de lengte of uit de breedte
‘gezegd van reeds gedane of nog te verwachten uitgaven, waarvoor geld op de eene of andere wijze gevonden moet worden, bij vergelijking met een stuk stof, waarvan men iets moet afsnijden’; Ndl. Wdb. III, 1196. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij V. Moerk. 148: Evenwel vrienden so moet het vande langhte of vande briete komen; Doedyns, Merc. 2, 242: De winst moet'er tog uitgehaald werden, 't zy uit de breette of uit de lengte. Bij den Zuidnederl. schrijver Ogier, 164: 't Moet uyt de lengd' oft uyt de breede comen. Zie Harreb. I, 88 b en voor het Nederlandsch Taalgids IV, 284; fri. as 't net ut de lingte ken, dan mat 't war ut de bridte; eng. it must be found in the broad or the long (Prick, 65); syn. 't Moet uit de zak of uit de band komen (op Goeree en Overflakkee).