1419. Iemand de loef afsteken

d.w.z. iemand vooruit komen; te boven gaan. overtreffen. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder de loef verstaat men eig. die zijde van het schip, waarop de wind staat. Komt men nu met zijn schip aan die zijde van een ander vaartuig, dan onderschept men den wind, en beneemt zoodoende aan dat vaartuig het voordeel van den wind. Dit noemt men thans de loef (af)winnen of afknijpen; nd. einem Schiffe die Luw abgewinnen. In figuurlijken zin beteekent iemand de loef afsteken het in zekere handeling, eigenschap, enz. van hem winnen, het voordeel boven hem hebben, hem te boven gaan, overtreffen (Ndl. Wdb. I. 1547; VIII, 2551). De uitdr. dateert uit de 17de eeuw en wordt o.a. aangetroffen bij Vondel, Adonias, 428:

Men zeilt eerst scherp, daer na heel ruim den hoeck te boven.
Zoo krijght men, recht voor wint, de loef van zijn party.
Aldus leght Salomon, eer hy ontwaecke, in ly.

Winschooten, 141; Hooft, Brieven, 173; Pers, 460 b: iem. de loef af zien; 140 b: de loef af strijken; Tuinman I, 144; 147; Sewel, 456; Halma, 321; Harreb. II, 34 b; Villiers, 74: iemand se loef afstek. Zie no 1402.