1558. Morsdood

d.w.z. in eens, plotseling, geheel en al dood, kiksdood (Claes, 109), pietdood (zuidndl.). Het eerste gedeelte van dit woord beantwoordt aan het nd. murs, hd. murz naast morsch, bijv. in morsch entzwei; vgl. tirol. murzjung; mhd. adv. murzes, geheel en al. Verwantschap met het wkw. vermorzelen en een znw. morzel, dat we kennen in de uitdr. te morzel slaan, verbrijzelen, waarnaast vroeger ook te mortel (vgl. nd. murt, gruis) slaan (Sewel, 500) is ook mogelijk. Vgl. Rusting, 519; Halma, 361: Morsdood, roide mort; Sewel, 499: Hy viel morsdood, he fell stone-dead.