1600. Dat (of Hij) is een nagel aan mijn doodkist

d.w.z. die zaak of hij veroorzaakt mij zooveel smart, dat mijn dood er door wordt verhaast, draagt er toe bij dat ik eerder zal sterven. Vgl. Sart. III, 3, 12, waar naar aanleiding van het lat. occisionis ala wordt opgemerkt: mihi quidem non alienum, imo ipsissimum esse videtur, quod nostrates ferunt, het is een nagel van u doodt kist, quoties aliquid incommodi, ut venturae mortis velut alam quandam moveri sentiunt; Van Moerk. 564; Gew. Weeuw. II, 10; Huygens, Korenbl. II, 516; Klucht v. Oene, 15: Ik bin de spijker van je dootkist; Van Effen, Spect. IX, 32: Zo je Vader of Moeder hebt, doe hen om Gods wil het doodelyk hartzeer niet aan, dat my alle vreugd benomen heeft, en noch een nagel aan myne doodkist is; Sewel, 513; Halma, 369: Mijn zoon is mij een nagel aan mijne doodkist, mon fils me donne la mort; Tuinman I, 314; Harrebomée I, 144 a; Amst. 90; Mgdh. 95; Nkr. V, 19 Febr. p. 6; VII, 9 Aug. p. 2; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 2; Handelsblad (avondbl.), 26 Juni, p. 5 k. 5; Ndl. Wdb. IX, 1491; Amstelv. 40: Nu in het graf heb ik hem niet geholpen; ik heb alleen maar een paar nagels aan zijn doodkist geslagen; Joos, 114; Waasch Idiot. 454. Vgl. voor het Nederd.: dat wordt en spicker to min karst (Taalgids IV, 253); hd. das ist ein Nagel zu meinem Sarge; Horn, 104: dat 'sn Nagel to mine Dodskiste, redensart bei besonders starken Märschen; eng. that is a nail in my coffin; fri.: dat is in neil oan myn deakiste.