1693. Het booze oog

Deze benaming berust op het bij verschillende volken van den ouden en nieuweren tijd bestaand bijgeloof, dat nijd en wangunst aan sommige menschen het vermogen verleenden om door hun blik aan anderen nadeel te berokkenen. Die macht van het booze oog, waaraan vooral bij de zuidelijke volken, Grieken, Romeinen, Italianen werd en wordt geloofd, is bekend o.a. uit het Grieksche ὀφθαλμὸς πονηρός of φθονερός; ngri. κακὸ μάτι; lat. oculi invidi; it. mal' occhio of jettatura (vgl. lat. jactare oculos); eng. an evil eye; fr. le mauvais oeil; mhd. twerhe ougen; hd. ein böses Auge haben. Vgl. Ndl. Wdb. III, 484; Borchardt, no. 80; O. Jahn, Ueber den Aberglauben des bösen Blickes bei den Alten; Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XI, 304 vlgg.; V.d. Vet, Biënboec, 167; Volkskunde XIX, 137; XXIV, 30-35; Hoops, Reallexikon, 304. Ook in het Friesch: oer dat bern binne in pear kweade eagen gien, dat kind is betooverd.