1745. Iemand overhoop (loopen, schieten, steken)

In het Middelnederlandsch werd over hoop gebruikt in de beteekenis van ter neder, omver, ‘welke zich bij het begrip vallen geleidelijk uit die van te zamen, de eene hoop op den anderen ontwikkelt’; bijv. Lanc. II, 38800: (Hi) reetter daer vive over hoop, dat si daer vielen metten perde sere gequetst op die eerde; Mnl. Wdb. III, 579; V, 2178. Voor lateren tijd zie Ndl. Wdb. XI, 1763; vgl. ook hd. jem. über den Haufen schieszen.