1804. Iemand de pest aan- (op- of injagen)
d.w.z. iemand wrevel berokkenen, hem treiteren, pesten, waarvoor men in het Zaansch ook zegt: iemand de pan aanjagen (Boekenoogen, 729). Vgl. Zoek 204: Och god, wat 'n benauwd smoelwarrek.... wacht, even de pest injagen. Van iemand, wien de pest aangejaagd is, wordt in zeer gemeenzamen stijl gezegd ‘dat hij de pest inheeft’ (zie no. 1789) of: de ‘smoor’ inheeft (zie aldaar); vgl. iemand het land aanjagen; den duivel inhebben (no. 000) en dergelijke. Zie Ndl. Wdb. I, 185; XI, 885.