1864. Op hooge pooten (of beenen) ergens heen gaan

d.w.z. opgewonden, verontwaardigd ergens heen gaan; met veel zelfvertrouwen aankomen, meestal om iemand op hoogen toon terecht te zetten. De houding, die iemand daarbij aanneemt, maakt dat men hierbij van ‘hooge beenen’ spreekt. Zie Ndl. Wdb. II, 1306; VI, 1003; Molema, 527: Op hooge bijnen gong hij d'r hen, zooveel als: hij spoedde er zich met drift naar toe, met zekeren trots; of uit kwaadheid, b.v. om iets te beredderen, of: om rekenschap te eischen; Kalv. I, 53: Toen hij hier op hooge pooten heen kwam en over de herrie aan zijn deur klaagde; Sjof. 191: De kerel was op hooge pote naar den baas gegaan, had zich beklaagd, hij had geen onderkomen.