1958. Rouwkoop
Onder rouwkoop, hd. Reukauf, Reugeld, verstond men in de 16de eeuw eene som geld, die men moest betalen, om een gesloten koop te vernietigen, ongedaan te maken (hd. Reugeld; eng. smart-money). Zie Kiliaen: Rouwkoop, pretium sive mulcta rescissae emptionis; vandaar: rouwkoop gheven, rescindere emptionem certo pretio. De eerste bet. zal dus zijn: het pactum displicentiae, contract, waarbij bepaald is, hoeveel men moet betalen, ingeval men den koop wenscht te vernietigen; daarna die som zelve, welke handgift of godspenning genoemd werd, en eindelijk het berouw, dat men over een koop heeft of berouw over iets in het algemeen. Vgl. Spieghel, 287: Eerkoop, rouwkoop; Westerb. I (Ockenb. bl. 137); II, 143; Coster, 64, 1607; Halma, 551: Rouwkoop z.m., berouw over eenigen koop; rouwkoop hebben, se repentir d'avoir acheté. Zie verder Harreb. I, 434 b; Kalv. II, 112 (rouwkoop betalen); Bouman, 90; Schuermans, 559; Antw. Idiot. 1047: rouwkoop hebben, spijt gevoelen over iets, dat men verricht heeft; fri.: roukeap jaen, hawwe; eng. rue-bargain.