2004. Wien de schoen past, trekke hem aan
d.w.z. wie zich schuldig gevoelt, passe de zinspeling op zichzelven toe, beschouwe het gezegde als tot hem gericht, die een neus heeft kan rieken, zooals in Zuid-Nederland gezegd wordt, maar ‘hij die niet schurftig is, behoeft zich niet te krauwen’. De uitdrukking was in de 17de eeuw bekend, blijkens J. Vos, 263: ‘Ik smijt slechte schoenen te grabbel, wil jyse aantrekken, ik kan niet beeteren datze jou passen’, waarin tevens de verklaring der spreekwijze is te vinden; vgl. verder Huygens, Korenbl. II, 361: 'k Sie dien de schoen wel past die treckt hem geeren aen; C. Wildsch. III, 71: Die den schoen past, kan hem aantrekken; Harreb. II, 253 b; Afrik. as die skoen jou pas, moet jy hom maar aantrek. Voor het nederd. vgl. Taalgids IV, 263; Eckart, 472; Dirksen I, 83; Wander IV, 355: wemme de Shoh passet, de tüht en an; Dirksen I, 272; vgl. het hd. wem die Mütze passt, der setze sie auf; eng. if the cap fits, wear it; voor Zuid-Nederland vgl. Schuermans, 591 b; Waasch Idiot. 579 b; Antw. Idiot. 2019: dien 't schoentje past, die trekke 't aan; fri. dy de skoech past, tsjucht him oan.