2143. Op (den) sprong staan (zijn)
d.w.z. juist gereed staan; eig. op het punt staan van te springen (vgl. op slag, eig. op het punt van te slaan; Boekenoogen, 928); op het hippen zijn (17de eeuw); westvl. op schote staan, eig. gereed staan om te schieten; daarna op het punt staan om iets te doen (De Bo, 1005); syn. van op de mik staan (Loquela, 319); fri. op 'e sprong stean; mnl. op den spronc sijn; Campen, 119: hy staet altoes op een spronck; bij Hooft, Brieven, 499: Mits dezelve my zeide, met UEd.Gestr. op eenen sprong naa de Beemster te staan; E. Wolff-Bekker, De beide Vriendinnen: Maar, van de vertelling dat ik reeds getrouwt ben, en dat myne vriendin alledaag op den sprong staat, is zelf de schaduw der schaduw een zot verdichtsel. Bij Schuermans, 664 b: op het springen staan of op sprong staan, op 't punt zijn van aan de deur gezet te worden; in het oostfri. dat steid up de sprung. In de 17de eeuw beteekende op een sprong, ter sprong, eensklaps, dadelijk, schielijk, fr. tout d'un saut; syn. op een bocht; vgl. Vondel, Lucifer, vs. 851; Pers, 215 a; Huygens I, 167; Tuinman I, 351. Ook in het hd. auf dem Sprunge stehen.