2148. Zeggen waar het op staat

iets onbewimpeld, ronduit zeggen, zonder er doekjes om te winden; eig. zeggen, waar het op neerkomt, op aankomt, op berust, dus de hoofdzaak, de kern van eene zaak zeggen. De uitdr. komt in de Middeleeuwen voor in Ons Heren Passie, vs. 10:

Mer wilstu doen na minen raet,
Ic sel di segghen waert op staet.

C. Wildsch. V, 268: Ik ben Mevrouw flapuit, ik zeg daar het op staat, al stonden alle de groote paruiken voor mij.