2214. Een stuk in (zijn kraag) hebben
d.w.z. dronken zijn; syn. van de last, de melane, de pruif hebben (Köster Henke, 38; 44; 56). Onder een stuk, mnl. stuc, verstaat men eene groote hoeveelheid, bep. een vat wijn, een stukvat (hd. Stückfass), brandewijn of anderen alcoholischen drank, en het znw. kraag bewaart in deze uitdr. nog de oude beteekenis van hals, keel, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen: eene groote hoeveelheid drank door den hals gegoten, achter de knoopen hebben; ook zich een stuk inzetten. In Noord- en Zuid-Nederland is de uitdr. bekend; zie Harreb. I, 445; S.M. 46: Je hebt een stuk in je kraag als een opperman; Uit één pen, 110: 'n Heer die met een goed stuk in uit de societeit komt; Nkr. IV, 11 Dec. p. 3; VII, 24 Mei p. 4; Dievenp. 47; Ndl. Wdb. VIII, 1; De Telegraaf, 10 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 5; Propria Cures, XXVI, 310; Schuermans, 285 a; Antw. Idiot. 1212; Teirl. II, 179; De Bo, 1122 b; Joos, 121 en ook Rutten, 36 b, die evenals Tuerlinckx, 93 vermeldt: zich een stuk in zijne botten drinken; verder Antw. Idiot. 672: 'e stuk in zijn klos hebben; 692: 'e stuk in zijn kont (of botten) hebben, dat ook bij ons bekend is; bl. 624: - in zijn kaske(n) hebben; Teirl. 241: e stik in de kollee. In Limburg ('t Daghet XII, 192): een bot op (of in) hebben, een stuk in zijn botten hebben; ne kraag ophebben (VIII, 35); ene dikke krage hebben (De Bo, 566); elders een stuk in zijn raap hebben (V. Schothorst, 188). Als variant hoort men ook: een stuk in zijn laars hebben of drinken (vgl. Landl. 317; Slop, 166; De Bo, 624: hij heeft zijne lerze vol; Waasch Idiot. 392: een stuk in zijn teerzen, botten hebben), waarmede te vergelijken is Boekenoogen, 551: ‘Iets in zijn laars steken, het in zijn kraag steken, naar binnen slaan, zoowel van spijzen als van dranken’; hij heeft een bonk in of een kleine bonk in den neus; hij heeft een bom in 't lijf, waarin de woorden bonk en bom beide eigenlijk beteekenen een groote hoeveelheid. Bij V. Hasselt op Kiliaen wordt nog geciteerd: hij heeft het in den mantel; Boekenoogen, 404: hij heeft een kast in (of aan), hij heeft een kaste; vgl. hij heeft het buis, vest, jak aan (Ndl. Wdb. III, 1763). In het Friesch: hy het in stik yn 'e krage, yn 'e kont of hy het in stik yn (as in Switser); in Groot-Nederland, Oct. 1914, bl. 432: Stommeling, je drinkt je 'n gat in je kraag! Zie Nav. 1897, 59; no. 1205 en vgl. hd. etwas im Kragen haben, half dronken zijn; in Zuid-Nederland o.a. een half knolleke, een schreef, een peer, een pruimke aanhebben, half dronken zijn. Maastricht: er heet ene stiefel, en proum in; zen laoi vol (Breuls, 83). Vgl. ook iets in zijn kamizool slaan, (eten) naar binnen slaan, spelen (Ndl. Wdb. VII, 1134). Zie no. 1665.