2247. In tel zijn
gewoonlijk met de ontkenning: niet medegerekend worden, niet geteld, niet geacht zijn; dus gelijk aan het vroegere ongeteld zijn. Vgl. het lat. aliquo numero esse, in tel zijn; mnl. enen hoghe tellen, iemand hoogachten; Harreb. II, 328 a: in geen tel zijn. Volgens Schuerm. 717 b zegt men door geheel België van geenen tel zijn (zie Antw. Idiot. 1231; Claes, 233) en volgens De Bo, 1141 a bet. een man van tel, een man van gezag en invloed, un homme qui compte (vgl. Waasch Idiot. 646 b); in Antwerpen van overtel of overtellig zijn (Antw. Idiot. 929). Zie ook Villiers, 126; Gunnink, 221 en Molema, 568 b: niks in tel wezen = niks in de reken wezen, en vgl. het oostfri.: hê is niks in tel', er steht nichts in Achtung; hê hed hum niks in de siffer of in de tel, zählt ihn für eine Null (Ten Doornk. Koolm. III, 402 a); fri.: dou bist gjin tel, dus minder as in talhout; neat yn tel wêze; vgl. eng. at a discount, niet in tel.