2307. Iemand een uitbrander geven
d.w.z. iemand den mantel uitvegen, de volle laag geven, een grauw geven (17de eeuw). Het znw. ‘uitbrander’ is afgeleid van het ww. uitbranden, door vuur branden, zuiveren; zie Halma, 716, die het verklaart door: door branden zuiveren, purifier par le feu, nettoyer par le feu; vandaar: scherp berispen; vgl. Gew. Weuw. III, 24: Ik meen, dat ze jou anders uitbranden en uitluchten zou; Harreb. II, 342 a; Nest, 100: Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet weerom; Uit één pen, 26; fri. in útbrander krije naast in útskoerringe, fodskoerring, útheuveling, útrammeling, útskrobbearing krije. Syn. iemand een (model) uitschijter geven (D.H.L. 20; Van Ginneken II, 459; Nkr. II, 18 Oct. p. 4). De uitdrukking is dus te vergelijken met iemand den mantel uitvegen (Gron. oetstubben), een schrobbeering geven, het hoofd wasschen (Halma), iemand over den hekel halen, iemands frak uitborstelen, iemands leder kloppen (Vlaand.); 17de eeuw: iemand uitwasschen (V. Moerk. 491); het hd. einem einen Wischer geben; einen herunterputzen; einen (aus)bräunen, uitschelden, en dergelijke. Zie no. 1475 en 2033.