2373. Verschutten

d.w.z. arresteeren (in boeventaal; zie Zandstr. 32; 44; 54; 96); daarnaast verschut komen, gearresteerd worden (Köster Henke, 72); voor 't schut zijn of staan, er bij zijn (Zandstr. 46; 86); in verschut gaan, gearresteerd worden (Jord. II, 443); Teirl. Barg. 72: verschut, gevangen, betrapt; evenzoo in 't hd. verschütt gehen, beim Betteln abgefaszt und arretirt werden, verhaftet werden (Kluge, Rotw. 389; 413; 433); verschitt gehen, gefangen werden (bl. 424); verschütten, arretiren, verhaften (bl. 307; 336); syn. is tofis (gevangen) nehmen, tofis kommen (Kluge, 215). De eig. beteekenis van verschutten, hd. verschütten is er een schotje voor schieten, verhinderen (vgl. mnl. verscutten) en vandaar tegenhouden, opsluiten. Andere synoniemen zijn bonjer, geschaakt, zuur zijn.