2391. Vetpot
d.i. feest, smulpartij, overvloed, volop; t' is daar bottertje boven (V.d. Water, 63), vooral in de zegswijze het is alle dagen geen vetpot, elken dag kan men niet smullen; vgl. lat. non semper Saturnalia erunt; in de 16de eeuw: t en is altoes ghien Mey-avent (Campen, 127); ook 't is alle daag geen kermis, geen feest (Sartorius, I, 3, 8; V.d. Venne, 4; Spaan, 86; Vijgh, Jaep Rontv. 3: t Is altijt juyst geen kerremis of ruymschoots voor de wint); 't is altijt geen Vasten-avont of 't en is niet altijd bruylofts-feest (De Brune, 479); 't is altijd geen boter van 't spaantje lekken (Antw. Idiot. 282). In de 17de eeuw komt het znw. vetpot in den tegenwoordigen zin voor naast pannetjevet, dat nog in Zuid-Nederland bekend is (Antw. Idiot. 937); zie verder Tuinman I, 101; 336; II, 34; Harreb. I, 112 a: Het is vetpot, zei de jongen, mijne moeder heeft een' daalder gewisseld; Landl. 214: Dat woest vrije leven met tijden van vetpot, schraalte en gebrek; fri.: it is altyd gjin fetpot (of maeijejoun, Meiavond); in het Antw. Idiot. 1364: 't is vetpot, 't ziet er lief uit; bl. 2128: vetpot, smulpartij, feest; Waasch Idiot. 838: t' is vetpot, t' is smakelijk, er is overvloed, een winstgevende zaak; Nkr. VIII, 28 Febr. p. 6: Maar eens in 't jaar was 't vet in den pot. Op Schouwen: t' is daar vetlakon (Onze Volkstaal I, 30); in Limb. dao is het alle daog pankevet (Maasgouw, 1880, bl, 316); hd. es ist nicht alle Tage Fastnacht, Sonntag, Kirmesz.