2421. De vlag strijken
d.i. onderdoen voor iemand; ook: doodgaan; eig. de vlag laten zakken ten bewijze van overgave; syn. van het zeil strijken; vgl. Com. Vet. Woordenl.: Stryken de vlag, de vlag innemen: 't gene geschiet, alsmen op zee voorby eenen Admirael vaert ten blyke van eerbiedenis: als mede wanneer men slaegs zijnde, en zigh te zwak bevindende, 't schip aen den vyant overgeeft. Ook was in de 17de eeuw gewoon de vlag inhalen (zie Pers, 153 a); - afleggen (Pamfl. Muller, 508 (anno 1603), 5 r; 509 (anno 1603), 4 r); later ook iemand of iets de vlag afstrijken, iemand of iets in eenig opzicht het meesterschap afwinnen, te boven gaan, overtreffen (Ndl. Wdb. I, 1606); zie verder Vondel, IX, bl. 622: Zy raedtze op 't hoogh gebodt de vlagh en 't zeil te strijken. Men kan het noodlot van Jupijn niet wederstaen; Adam in Ballingschap, 1040; Virg. I, 33; Maria Stuart, 734; Gebroeders (ed. 1650), bl. 59; Salomon, 397; Van Lummel, 419; Overbeke, 95; Kale U. Edelm. II, 205; Van Effen, Spect. X, 58; Boere-krakeel, 102; C. Wildsch. III, 181; Sewel, 621; Halma, 732: De vlag strijken, céder, mettre pavillon bas. Daarnaast in denzelfden zin (het) strijken bij Vondel, Lucifer, vs. 1904; vs. 1501 (den standert strycken); Huygens, Hofwijck, vs. 1690; Spaan, 140: We voerde de vlagge zoodanig, dat het al voor ons moest stryken; Tuinman I, 145; Harrebomée II, 387 a; Van Eijk I, 133; Van Lennep, 246; vgl. verder het Latijn vela contrahere; fr. baisser -, mettre le pavillon bas devant qqn, reconnaître son infériorité; hd. die Flagge, die Segel streichen; eng. to lower or strike one's flag; to strike one's colours; oostfri. de flagge strîken; Schuermans, 692: de vlag strijken, voor iemand wijken.