2426. Vlammen op iets
d.i. hevig naar iets verlangen, een brandende begeerte hebben naar iets, vurig naar iets verlangen, verhit zijn op iets, heet zijn op iets, geilen op iets, branden naar iets; gebrand zijn op iets; lat. ardere ad of in aliquid. In de 17de eeuw zeer gewoon; vgl. Vondel, Palamedes, 318; Lucifer, 1863; VI, 288:
Terstont begint het hart der schoone bruit te blaecken,
T' ontvoncken, en zy vlamt op d'aangepreze vrucht.
Brederoo l, 279: So haest as ick jou sach, heb ick op jou evlamt; bl. 287: Ick vlamde daer op as ien boer op ien boeckede-koeck; Coster, 466, vs. 322; Pers, 630 b; Tuinman I, 257: Hy vlamt daar op, dat is, hy is met eene brandende begeerte daar toe ontsteken; Sewel, 896: Vlammen op buit, to be hot upon prey; Halma, 732: Vlammen, begeerig zijn, verlangen, brûler, désirer ardemment; Harreb. III, 77 b; fri. irgens op flamje.