2490. Voor de vuist (weg)
d.i. onvoorbereid, ex tempore, dadelijk; eene beteekenis die ontleend is aan zegswijzen als voor de vuist iets opnemen; afrik. iets voor die vuis neem, d.i. voor de hand opnemen, zonder uitzoeken, zooals de zaken voor iemands hand liggen (Ndl. Wdb. V, 1847). Vgl. Pers, 369 a: De Water-Geusen rantsoenden voor de vuyst wie daer oock lagen; 443 a: Datse in onordre de vlucht nemende, van den Spaenschen snellijck wierden vervolght en voor de vuyst dood geslaghen, wat hun voor quam; 674 a: Daer sy de wacht vonden slapen, die sy voor de vuyst doodt sloegen; Hooft, Ned. Hist. 170: De rechtbank der inquisitie, die voor de vuist wegh alle Nederlanders verklaarde voor ..... enz.; Van Effen, Spect. IV, 200: In die Rymtrant is hy zo vaardig dat hy zonder eens zyn lippen of nagels te byten, in een paar uurtjes een stukje van eenige hondert regulen, voor de vuist weg, voor den dag weet te brengen; VII, 11; X, 120: Met verwondering hoort men hem de verwardste wapenschilden zonder de minste stamering voor de vuist uitleggen; C. Wildsch. III, 80; Halma, 757: Voor de vuist, zonder voorbedenkingen, sans être préparé, a l' improviste. Vgl. ook afrik. uit (voor) die vuis praat; fri. foar de fûst op, voor den greep weg; foar de fûst wei forkeapje, zonder uit te zoeken, te sorteeren (vgl. voetstoots); oostfri. för de fûst weg arbeiden, nämen, äten, enz.; westph. vör fûste weg, alles wie es vorkommt.