2605. Een goed woord vindt altijd eene goede plaats

d.w.z. ‘met beleefdheid of vriendelijkheid krijgt men eerder iets gedaan dan met onvriendelijkheid’. Zie Campen, 21: een guedt woort vyndt een guede stede, het scadet ia niemant ende nuttet yederman; Spieghel, 279: een ghoet woort vint een goe ste; Kluchtspel II, 110: Ien goet woort, heb ick wel 'ehoort, neemt altijt ien goê steê; De Brune, 100:

Een goed woord, wel te voor bezint,
Altijds een goede plaetse vint.

Tuinman II, 208: Goede groet maakt goede andwoord; een goed woord vind een goede steê, beleeftheid verwekt beleeftheid. Licht men den hoed af voor ymand, men verplicht hem om dat weder te doen. Andersins haalt het eene woord het andere uit; Harreb. II, 186 b; Suringar, Erasmus, CXC; Joos, 148; Eckart, 575; Jahrb. 38, 162; Wander V, 122; 403: ein gutes Wort findet einen guten Ort oder eine gute Statt; eng. a good word is never out of season; kind words go a long way; deensch: godt ord finder et godt stedt; zweedsch: god ord finna god rum; fr. jamais beau parler n'écorcha la langue.