2616. Een zak (een mud, een schepel) zout met iemand gegeten hebben
d.i. langen tijd met iemand omgegaan hebben. Deze, nu eenigszins verouderde, zegswijze komt sedert de 16de eeuw in onze litteratuur voor, waarin zij ontleend is aan de klassieken. In het Grieksch wordt ze aangetroffen bij Aristoteles, lib. Moralium, VIII, c. 4 § 9; Moralium Eudemiorum, lib. VII, c. 2; Plutarchus, περὶ φιλαδελφίας, p. 482 B; in het Latijn bij Cicero, de amicitia, c. 19, 67: Verum illud est, quod vulgo dicitur, multos modos salis simul edendos esse, ut amicitiae munus expletum sit. Zie vooral Suringar, Erasmus, CXXXVI; Journal, 7; V. Wyss, 38 en vgl. Goedthals, 20: Niemant te betrauwen ghy en hadt met hem gheten een mueken sauts, devant que cognoistre un amy, menge un muy de sel avec luy; Campen, 2: Men sal niemant tot enen vrent verkiesen, men hebbe dan te voren veele schepel solts mit hem ghegeten, secht Cicero; De Brune, Bank. I, 333: Wie vaste vriendschap bouwen wilt, ete voor al eenighe muddekens zout met yemand, eer hy hem tot zijn vriend keurt; Cats I, 521: Al eer dat ghy een vrient betrout soo eet met hem een mudde sout; Tuinman I, 150; II, 56; Harreb. II, 490; III, 364; 419; Taal en Letteren III, 370; H.v.Z. 58: Bij die sal je geen zak zout ete; Groningen IV, bl. 207: Daar zijn zo eenige Latijnse woorden die voor elke stad- of lands-Groninger... als 't ware pasmunt zijn, ‘Vindicat’ is er een. ‘Mutua fides’ een ander; verder gaan er grif nog zulke als ‘riepe’ ‘intast’, ‘sikkom’, die al een zak zout met ons gegeten hebben en niet meer als vreempjes worden aangezien; Volkskunde XVI, 46; afrik. 'n sak sout met iemand opgëeet hê; Wander III, 1849; 1855; Grimm, VIII, 1706; Antw. Idiot. 812: hij zal daar geen meuken zout eten, hij zal er niet lang wonen; in het fri.: wy moatte earst ris in healsek sâlt mei elkoar op-iten habbe, wij moeten eerst een halven zak zout samen hebben opgegeten, voor wij elkaâr goed zullen kennen (W. Dijkstra, 349 a); hd. einen Scheffel Salz mit jem. gegessen haben; fr. avoir mangé un minot de sel avec qqn; Vgl. in Zuidndl. ergens niet veel botermelk (karnemelk) vuil maken, van dienstboden: niet lang blijven.