33. Uit den aard slaan

d.w.z. ‘zijnen aard gedeeltelijk verliezen; andere hoedanigheden aannemen, dan de aard medebrengt; ook toegepast op menschen, ten aanzien van hunne zedelijke hoedanigheden, wanneer deze beschouwd worden als kenmerken van hun geslacht’; Ndl. Wdb. I, 536. Bij Gruterus III, bl. 126 staat opgeteekend de spreekw. bastaarden nemen altyts wte van aarden, waar wij thans zeggen bastaarden slaan altijd uit den aard; 17de eeuw: uit het geslacht slaan (V.d. Veen, Zinneb. 32). Vgl. hd. aus der Art schlagen; eng. to grow out of kind (verouderd).