391. Dag
Het znw. dag had in de middeleeuwen de beteekenis van daglicht, zonnelicht; vandaar spreekwijzen als helder, klaar als de dag, aan den dag komen (aan het licht komen, ontdekt worden), brengen; voor den dag komen (in het licht verschijnen), aan den dag leggen (toonen, laten zien), brengen; geenen dag in iets zien, er geen licht in zien (Schuerm. Bijv. 59 b; Teirl. 248; Antw. Idiot. 527. Een andere beteekenis, nl. die van tijd, tijdruimte, tijdperk, heeft dag in de uitdrukkingen op den ouden dag (in den ouderdom) en in op zijne dagen komen (oud worden); het mnl. te sinen dagen comen, mondig, meerderjarig worden. Zie het Ndl. Wdb. III, 2213-2224; VIII, 1429.