413. Voor de roode deur moeten gaan (of komen)

d.i. voor het gerecht komen, ook wel in algemeener zin: voor de heeren geroepen worden, voor de heeren moeten komen, om eene vermaning te ontvangen of zich te verantwoorden, voor het schapetafeltje (de schepentafel), op 't stoepje moeten komen (Ndl. Wdb. VI, 337). De oorsprong dezer zegswijze zal gezocht moeten worden in de gewoonte der middeleeuwsche heeren om in de poort hunner sloten eene roode deur te hebben. Wie den heer iets te vragen had, meldde zich hier aan, wie ter verantwoording geroepen werd of beklaagd kwam voor de roode deur. Vgl. Sart. II, 9, 76: Ghy sult voor de roode deur gaen; Tuinman I, 41. Later verstond men onder voor de roode deur gaan, in het huwelijk treden, daar bijv. in Amsterdam de kamer in de Oude Kerk, waar de commissarissen van huwelijkszaken vergaderden, door eene rood geschilderde deur met een der zijbeuken van de kerk, die als wachtkamer dienst deed, was verbonden. Zie Halma, 548: Zij gaan van daag voor de roô deur, ils vont aujourd' hui se fiancer à l'hôtel de ville; Sewel, 173; de Klucht van de bedroogen Smit, 1726, bl. 31: 'k Mien oock haest met een hartje voor de Roode deur te gaen. Thans is de uitdrukking weinig meer in gebruik; zie Harreb. I, 128 b; Ndl. Wdb. III, 2467; XIII, 1184; De Cock1, 70 en Schuermans, 93 b. Volgens Hoeufft, 498 zegt men in Breda: voor 't roode kleed komen of staan, trouwen, omdat in de zaal, waar zulks geschiedt, de tafel overdekt is met een rood kleed.