430. Bij dit en (bij) dat!
d.w.z. bij God, bij den donder! of eene dergelijke verwensching, die men vermijden wil. Het gebruik van dit en dat in dezen zin is sedert de 17de eeuw bekend. Zie Ndl. Wdb. III, 2308; 2480, waar o.a. wordt aangehaald Meulemans, Timon. Misanthr. 18: Ick sweir bij dit en dat, by desen ende genen, ken wil niet gaen; W. Leevend VI, 273: Waerom dit en die schryf je niet, waer je bent? Een hiervan gevormd bijv. naamw. komt in de 18de eeuw voor in Sara Burgerhart, 274: Dat zal wat beter voor ons uitkomen, dan dat dit en dats hargueeren; zoo ook Nest. 11: Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Vgl. verder wat dit en dat!, voor den drommel! M. de Br. 61: Toen viel ze uit: zoo vuile dit en dat, slet, stinkende dief, ben je daar pas!