437. Van doen hebben
d.i. noodig hebben, van noode hebben; de zegswijze is ontstaan door samensmelting van te doen hebben (mnl. te doene hebben) en van noode hebben, die beide beteekenen noodig hebben. Zij is sedert de 16de eeuw bekend; in de 17de eeuw ontstond er naast van doen zijn. Zie Ndl. Wdb. III, 2706 en vgl. fri. fen dwaen hawwe.