626. Den gek houden (of hebben) met iemand (of iets)
d.w.z. den spot drijven met iemand of iets (zie o.a. V.d. Water, 77); fri.: de gek mei immen ha; gron. de guchel met iets drijven (Molema 139 a); nhd. den Gecken treiben mit etwas; 17de eeuw: zijn guichelspel met iemand of iets drijven; vgl. iemand voor den gek houden. Deze uitdr. zal ontstaan zijn door contaminatie van sijn(e) spot (sceren, scop, gile) houden of maken met eenen (of om iet) en den gek (den alf, den spot, den draak) met iemand (of iets) steken. Vgl. het Groningsche iemand de gek anscheren, ontstaan door verwarring van ‘iemand den gek aansteken’ en ‘met iemand scheren’ (Molema II a); ook in 't Nd. de Geck anschêren (Eckart, 141). In Zuid-Nederland: met iemand den zot houden; mnl. den sot met enen maken.