711. Zich te goed doen
d.w.z. volop genieten (van iets), zijn hart ophalen. Ook hier is goed een znw. in de bet. van nut, voordeel, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen: iets doen tot nut van zich zelf (oorspr. 3de naamv.); vgl. het mnl. enen (iet) te goede doen, 17de eeuw iemand te goed doen, iemand zijn gerak geven, geven wat hem toekomt. Thans met betrekking tot spijs of drank het lijf, zich te goed doen (ook, vooral in Zuidndl., zich goeddoen). Zie Ndl. Wdb. III, 2722; V, 327; Mnl. Wdb. II, 2044; Teirl. 510; vgl. hd. sich gütlich, sich zu gute tun. Vgl. ook te goede komen aan iemand, hd. einem zu gute kommen, er nut of voordeel van hebben.