880. Heibel maken

d.i. drukte maken, herrie schoppen. Heibel is het hebr. hebel, dat ijdelheid beteekent en vandaar ijdele drukte, koude drukte, herrie; hiernaast het verkleinw. heibeltje; zie Jord. 287: Gein haabel, mènne..... suste éen uit 't dronken stel; Nkr. I, 24 Nov. p. 3: Hier op 't Damrak is 't altijd heibel geweest; II, 11 Oct. p. 2; 15 Nov. p. 4; III, 28 Mrt. p. 2: Je weet bij God niet, waarvoor al die heibel noodig was; IV, 16 Oct. p. 2: Wat maak jij 'n heibel om niks; V, 5 Mrt. p. 4: Maar Brummelkamp sprak: maak geen heibel; 4 Nov. p. 2: Kom, laten we nu geen heibel maken; 18 Nov. p. 4: Het heette niet: Wilt gij die wet? Neen, dat was leege heibel; VI, 24 Febr. p. 2: 't Scheelde maar een stem, of we waren midden in de heibel terecht gekomen; VIII, 10 Jan. p. 6: Houd je rustig, oude Heer, en maak niet zoo'n heibel meer; 31 Jan. p. 6; Het Volk, 21 Mrt. 1914, p. 13 k. 1: De arbeiders hebben een reuzenheibel op touw gezet tegen het verplichte lidmaatschap; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) p. 456: Ik zal je 'n heibel voor je deur schoppen, dat de ruiten d'r an gaan; De Voorhoede, 31 Jan. 1914, p. 1 k. 3: Er is nu heibel in het parlement; Het Volk, 20 Dec. 1913, p. 1 k. 4: Hierna volgde een heibeltje van den heer Duymaer van Twist; De Arbeid, 4 Mrt. 1914, p. 3 k. 1: Voor de opening poogden een stelletje scheurmakers een heibeltje te maken, door op toegang aan te dringen; Nkr. II, 30 Aug. p. 6 (heibeltjes); VII, 8 Febr. p. 3: Onze Talma geeft er geen snars om je heibeltjes, hoor. Een enkele maal heibelarij maken (in Nkr. II, 6 Dec. p. 3; A. Jodenh. II, 17; 24; 33) en heibelen, kibbelen (Nkr. VIII, 28 Mrt. p. 7; Jord. II, 358).