907. Zijn hoed staat op drie haartjes
Men zegt dit van iemand, wiens hoed parmantig, scheef, 17de eeuw kuin, op zijn hoofd staat. De zegswijze, die thans ook in het Noorsch wordt aangetroffen, komt in de 16de eeuw voor bij Sartorius I, 9, 3: 't Bonetken op drie haerkens; vgl. ook Brederoo, Sp. Brab. 511: Jonker jou hoetje staet wel netjens op drie haertjens; Hondius, Moufeschans, 510: Om de mutse naer de wetten op een enckel haer te setten; Tuinman II, 185: Op drie hairtjes staan; Jong. 235: Soms vergat hij in het vuur zijner rede den op drie haren staanden kachelpijp af te nemen. Synoniem is de zegswijze: den hoed (de muts, de pet) op half zeven (of half elf) zetten (vgl. o.a. Jord. 22: Jen Terwee het se pet op half elf), waarbij wellicht moet worden gedacht aan den schuinen stand van den eenigen wijzer op een oud torenuurwerk; vgl. O.K. 54: Toon! zet je hoed recht, hij staat op halfzeven! In Antwerpen zegt men hiervoor zijn klak staat op halverzeven (Antw. Idiot. 528; 1482). In Groningen beteekent halfzeven zijn dronken zijn (Molema, 143 b), waarbij sommigen denken aan het eng. half seas over, dat in denzelfden zin gebruikt wordt), doch dat eerder te verklaren is uit Pers, 246 b: Men lette onder de maeltijd wel op Heer Dirk, dat hem doch geen glaesjen mocht voor-by-slippen; nu ter halver zee en in den geest opgetogen. In Zuid-Nederland half zeil zijn (Volkskunde XIV, 144). Ook in Duitsche dialecten is in beide beteekenissen bekend den Hut auf elf (oder auf halber zwölf, op halver achte, aufs Ohr) setzen, tragen (Wander II, 944; Eckart, 229); eng. on nine hairs.