915. Holderdebolder
d.w.z. in heftige, verwarde beweging, hals over kop, in verwarde haast. Vgl. Winsch. 85: Het ging'er holder de bolder, daar was groote oneenigheid, het ging'er onderste boven; Snorp. 23: Jy, en jou man die speulen altemet holder de bolder (kijven); Focquenbr. I, 7:
't Kooren loopt 'er heen
En rolt als Turf holder de bolder
Door 't gat ter zaal uit naar beneên.
Ook in Duitsche dialecten holterdipolter, holderdibolderdi, holtertipolterti, huller de boller, hulter de bulter; zweedsch huller om buller; deensch hulter til bulter; vgl. ook eng. hurly-burly, geraas, geweld; nhd. hurli-burli, hals over kop, als uitdrukkingen voor een grof onstuimig geweld of geraas. Volgens Franck-v. Wijk, 257 eene klanknabootsende rijmformatie van den verbaalstam, waarvan ook bulderen is afgeleid. Zie de Jager, Frequentatieven II, 1201; Ndl. Wdb. VI, 878; Halma, 222: Holder de bolder, hol over bol, sens dessus dessous; Molema, 163 a; 525; b: henterdiplenterdi; 144 a: halterkwalter (eng. helterskelter naast harum scarum); Teirl. II, 54: holderdebolder(e); hoeterdekoeter (Joos, 48); De Bo, i.v. hak; Waasch Idiot. 292 b en Antw. Idiot. 567: holderdebolder, holder en bolder, holderkabolder; 't Daghet XI, 35: hats-klavats; hd. holterpolter; nd. holl de boll (Reuter, 49); Waasch Idiot. 283 b: heisterdeweister; hesterdewester; hompeldepompel; De Bo, 434: holsbols, enz.; fri. holderdebolder, in verwarring, in wanorde; ook als znw. bulderaar; holje-boldje, hevig golven van de zee.