942. Iemand zijn hoofd (of zijn neus) tusschen twee ooren zetten

‘Eene grappige bedreiging welke men ondeugende kinderen toevoegt waarop deze antwoorden, als ze met de grap bekend zijn (in Zuid-Nederland althans): ze staan er al’; Ndl. Wdb. XI, 45. In de 16de eeuw bekend bij Marnix; zie ook Idinau, 206:

Men sal u hooft tusschen twee ooren stellen.
Och wat een dreyghement is dat!
So vervaren hem somtijds de blauw ghesellen
Niet wetende waerom, noch hoe, noch wat.
Het dreyghen des Heeren neme in ons herte stadt.

Zie verder Kluchtspel II, 146; Tuinman I, nal. 19; Halma 451; Harrebomée I, 328 a; Antw. Idiot. 854: iemands neus tusschen twee ooren zetten; hd. ich will dir den Kopf zurecht setzen en dial. muess i de 'n Kopf zwisch'n d' Ohr'n setz'n (Wander II, 1533).