946. Het hoofd opsteken
d.w.z. zich verheffen, in verzet komen; vooral van eene onderdrukte partij gezegd, die zich weer verheft; dus het tegengestelde van zich buigen. In de middeleeuwen: dat hovet uytsteken; 16de eeuw: sijn hoot opheffen tegen. De uitdr. zooals ze thans luidt, komt in de 17de eeuw o.a. voor in Het Interest, 193; Pers, 651 b; Camphuyzen, Psalm, 2, 5, enz. Zie Ndl. Wdb. VI, 941; XI, 1253; hd. den Kopf heben, aufrichten. Hiernaast den (of zijn) kop opsteken in De Arbeid, 1 Mei 1915 p. 2 k. 1: Steeds driester steekt het kapitalisme zijn kop op; Het Volk 27 Aug. 1915 p. 1: De militaristische ijveraars zijn voor 't oogenblik wat overdonderd en steken nog niet brutaal den kop weer op.